Gepubliceerd op 26/05/2026
De geschillenregeling als ultimum remedium — vier voorwaarden waaraan elke aandeelhoudersvordering vandaag wordt afgemeten.
Het conflict dat élke familievennootschap ooit kent
De ene broer wil cashen. De andere wil blijven investeren. De zus voelt zich gepasseerd. Elk dossier dat ik in handen krijg over een vennootschapsconflict begint zo. En in elk dossier valt ook ergens, vroeger of later, het toverwoord: “we starten een uittredingsprocedure”.
Op het eerste zicht is dat een legitieme keuze. De wet voorziet in een gerechtelijke geschillenregeling (art. 2:60-2:69 WVV): elke aandeelhouder kan in rechte vorderen dat zijn aandelen worden overgenomen door zijn medeaandeelhouder (uittreding), of dat de medeaandeelhouder zélf zijn aandelen moet afstaan (uitsluiting). Een snelle uitweg uit een muurvast conflict, zo lijkt het.[1]
Maar wie de rechtspraak van de laatste jaren leest, ziet één lijn die elke geschillenregelings-procedure overheerst: de rechter is streng. Heel streng. De geschillenregeling is een ultimum remedium — letterlijk het laatste redmiddel — en wordt dat ook zo behandeld. Wie ze inzet zonder eerst alle andere opties te hebben uitgeput, krijgt nul op het rekest. Met als pijnlijke bonus: de gerechtskosten, die snel kunnen oplopen tot vijfcijferige bedragen.
In dit artikel: de vier voorwaarden waaraan elke uittredings- of uitsluitingsvordering vandaag wordt getoetst, met daarbij telkens de cassatie- en hofarresten die de lat bepalen, én een praktische checklist voor wie zijn dossier voorbereidt.
1. Het subsidiariteitsbeginsel: heeft de eiser eerst alles geprobeerd?
De geschillenregeling is subsidiair. Dat betekent: ze kan alleen worden ingezet wanneer het conflict tussen de aandeelhouders niet kan worden opgelost door alle redelijkerwijze mogelijke minder ingrijpende maatregelen.[2] Dit subsidiair karakter steunt op de plicht tot goede trouw die rust op alle aandeelhouders.
Wat zijn die “minder ingrijpende maatregelen” concreet? De rechtspraak heeft daar een duidelijke catalogus van opgesteld:
- Het stemrecht uitoefenen op de algemene vergadering — bezwaar maken tegen agendapunten, tegen het te-keuren stemmen van bestuurders, tegen de goedkeuring van de jaarrekening.
- Besluiten van de algemene vergadering of de raad van bestuur betwisten — een vordering tot nietigverklaring is mogelijk wanneer er sprake is van inbreuk op de wet of de statuten.
- Onderzoeks- en controlebevoegdheid uitoefenen — een aandeelhouder van een BV met minstens 10 % van de stemmen of het kapitaal kan een individuele controle uitoefenen op de boekhouding (art. 5:104 WVV).
- De minderheidsvordering tegen bestuurders (art. 5:104 WVV) — wanneer er sprake is van een bestuursfout en de algemene vergadering kwijting verleent, kan de minderheid alsnog optreden.
- Het inschakelen van een bemiddelaar of mediator — niet wettelijk verplicht, maar in de praktijk een tegenargument waar de rechter sterk op let.
In het door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Brugge, behandelde dossier dat in NJW 2021 (afl. 447, 640-641) werd becommentarieerd, werd de uittredingsvordering zonder pardon afgewezen omdat de eisende aandeelhouder géén van deze minder ingrijpende middelen had aangewend. Sterker nog: hij had ook geen procedure ingesteld om de notuleringen van eerdere algemene vergaderingen aan te vechten — terwijl hij die wél als beweerd onjuist betwistte.[3]
Concrete waarschuwing voor wie een procedure overweegt: zorg dat je dossier aantoont dat je deze andere middelen hebt benut, of waarom dat in jouw geval onmogelijk of zinloos was. Niet “ik heb het wel een keer geprobeerd”, maar feitelijke documentatie: oproepingsbrieven, notulen, briefwisseling, eerder ingestelde procedures.
2. Gegronde redenen: het verschil tussen uittreding en uitsluiting
Tweede toetssteen: de gegronde redenen. De wet eist dat een vordering tot uittreding of uitsluiting alleen kan worden toegestaan om gegronde redenen. Maar de invulling van dat begrip verschilt — en die nuance is essentieel.
Bij de uittreding: het gedrag van de mede-aandeelhouder
Bij de uittredingsvordering staat het gedrag van de verwerende aandeelhouder centraal. De rechtspraak vereist dat:[4]
- De gegronde redenen toerekenbaar zijn aan de aandeelhouder van wie de overname wordt gevorderd. Niet aan de vennootschap, niet aan een bestuurder, niet aan een externe partij — maar aan de aandeelhouder zelf.
- De gegronde redenen ernstig genoeg zijn om in redelijkheid niet langer vennoot te kunnen blijven. Cass. 9 maart 2009 vereist dat van de eisende aandeelhouder, gelet op alle omstandigheden, niet meer kan worden verlangd dat hij vennoot blijft.
- Geen formeel bewijs van een fout vereist is. Cass. 19 februari 2009 maakte duidelijk dat een uittredingsgrond niet noodzakelijk een onrechtmatige daad veronderstelt — wel een toerekenbaar feitelijk gedrag dat het samen-vennoot-zijn onmogelijk maakt.
Bij de uitsluiting: het vennootschapsbelang
Bij de uitsluitingsvordering wordt veel meer gekeken naar het vennootschapsbelang. De vraag is niet zozeer “wie heeft gelijk”, maar: brengt het langer aanhouden van deze aandeelhouder de continuïteit of de fundamentele belangen van de onderneming in gevaar?[5]
Omdat de uitsluiting een veel ingrijpendere maatregel is — een “private onteigening” van iemands aandelen — legt de rechter de lat hoger dan bij een uittreding. Vakliteratuur en rechtspraak bevestigen dit consistent: bij de uitsluiting moet sprake zijn van een ernstige bedreiging voor de werking van de vennootschap, niet enkel van een persoonlijk conflict.[6]
De praktische impact: schiet niet met het verkeerde wapen
Dit verschil heeft een directe gevolgen voor de strategie. Wie zijn medeaandeelhouder uit de vennootschap wil zetten omdat die “lastig” is, maar geen aantoonbaar gevaar voor de continuïteit aanbrengt, zal beter kiezen voor een eigen uittreding (jij vertrekt, hij koopt) dan voor een uitsluiting (hij vertrekt). Anders dreigt afwijzing van de vordering, met alle bijbehorende kosten.
3. Geen “verkapte verkoop”: de motieven van de eiser tellen
Derde voorwaarde — en eentje die in de praktijk vaak de doodsteek wordt voor een dossier: de rechter kijkt scherp naar de werkelijke motieven van de eisende aandeelhouder.
In het NJW-dossier van 2021 werd de eisende aandeelhouder verweten dat zij eigenlijk gewoon van haar aandelenpakket af wilde, “teneinde mogelijke aansprakelijkheden te ontlopen en een waardevermindering te moeten ondergaan”. De rechter sprak van procedurele misbruik.[7]
De rechtspraak is consistent streng voor aandeelhouders die de uittredingsvordering louter willen gebruiken om hun eigen geldelijke belangen veilig te stellen.[8] Een paar voorbeelden uit de rechtspraak:
- Een aandeelhouder die wil verkopen omdat de vennootschap na drie jaar nog steeds verlieslatend is — onvoldoende grond.
- Een aandeelhouder die zijn bestuurders- of oprichtersaansprakelijkheid wil ontlopen — onvoldoende grond, en wordt zelfs als rechtsmisbruik gekwalificeerd.
- Een aandeelhouder die zomaar een hoog uittreedaanbod doet en daar geen tegenspraak op verdraagt — wordt als pressiemiddel gezien, niet als legitieme procedure.
Belangrijke nuance, ook bevestigd in Brussel 6 februari 2001: de weigering van een aandeelhouder om in te gaan op een eis tot overname van aandelen kan tegen die aandeelhouder niet worden aangevoerd als een hem toerekenbaar feit dat onenigheid schept of bestendigt. Met andere woorden: het feit dat de tegenpartij geen “ja” zegt op een verkoopvoorstel is op zichzelf geen grond voor uittreding.[9]
4. Bewijslast: aan de eiser om te overtuigen
Vierde voorwaarde — de bewijslast. Het is aan de eiser om alle gegronde redenen te bewijzen, en de rechter heeft daarbij een soevereine appreciatie.[10] Dat betekent: ook al staat de feitelijke onenigheid vast, de rechter beslist autonoom of die onenigheid voldoende “gegrond” is om de procedure te rechtvaardigen.
In de praktijk betekent dit: elk dossier moet worden opgebouwd als een feitendossier. Dat zijn niet één of twee verklaringen, maar:
- Notulen van algemene vergaderingen — die de structurele onenigheid documenteren.
- Briefwisseling tussen aandeelhouders — gedateerd, getuigenis van de poging tot overleg.
- Bewijsstukken van eerder ingestelde procedures — bv. nietigheidsvorderingen, betwistingen, vorderingen tot inzage in stukken.
- Bewijsstukken van bemiddelingspogingen — uitnodigingen, antwoord-mails, eventuele tussenkomst van een bedrijfsrevisor of accountant.
- Eventueel: de cijfermatige onderbouwing van een waarderingsdebat — vooral relevant in familiale of patrimoniale vennootschappen.
5. De praktische checklist: vier vragen voor je naar de rechter stapt
Op basis van de bovenstaande vier voorwaarden, hier de checklist die ik in mijn praktijk gebruik om te beoordelen of een uittredings- of uitsluitingsdossier sterk genoeg staat:
- Heb je alle minder ingrijpende middelen uitgeput? Stemrecht uitgeoefend, besluiten betwist, controlerecht gebruikt, eventueel bemiddeling geprobeerd? Zo niet — eerst dat doen, of zorgvuldig motiveren waarom dat in jouw dossier niet zinvol is.
- Welke vordering past bij jouw situatie — uittreding of uitsluiting? Persoonlijk conflict zonder bedreiging voor de vennootschap = uittreding. Bedreiging voor de continuïteit = uitsluiting. Verwar de twee niet.
- Zijn de gegronde redenen toerekenbaar aan de tegenpartij? Aan de aandeelhouder zelf, niet aan de vennootschap of een derde. En zijn ze ernstig genoeg dat van jou redelijkerwijze niet meer kan worden verlangd dat je vennoot blijft?
- Welke onderliggende motieven zijn aantoonbaar? Een rechter zoekt actief naar verkapte verkoopdoelen, aansprakelijkheidsvermijding, of pure druk uitoefenen. Wat is je échte verhaal — en houdt het stand voor een rechter?
6. Een woord aan accountants en bedrijfsrevisoren
In de praktijk komen vennootschapsconflicten vaak op tafel via de accountant of bedrijfsrevisor — meestal naar aanleiding van de jaarvergadering, een kapitaalverhoging, een dividendbeslissing, of een bestuurswissel. Dat is precies het moment waarop een tijdige juridische analyse het meest waarde toevoegt.
Wat ik in mijn praktijk zie: dossiers die vroeg met een advocaat worden besproken, eindigen vaker in een minnelijke regeling (vaak met een uitkoop ten laste van het vennootschapsvermogen — daarover meer in een volgend artikel). Dossiers die pas op tafel komen wanneer de procedure al is ingesteld, worden vaker een dure procedure-oefening waarin niemand wint.
Een aandeelhoudersconflict op tafel?
Een uittreding overwegen? Een uitsluiting tegen je gericht? Voor we een procedure starten, doen we eerst een grondige doorlichting: zijn de vier voorwaarden vervuld, welke alternatieven liggen er, en wat is realistisch in jouw dossier? Een procedure-strategie van vooraan, niet onderweg.
Neem contact op — wij regelen het.
- [1]Art. 2:60 t.e.m. 2:69 WVV (gerechtelijke geschillenregeling NV en BV); voorheen art. 642-643 W.Venn.
- [2]Sarah De Geyter, noot bij Voorz. Orb. Gent, afd. Brugge, in NJW 2021, afl. 447, 640-641 (subsidiair karakter van de geschillenregeling).
- [4]Cass. 9 maart 2009, RW 2009-2010, 873 (vereiste van gegronde redenen die het verder vennoot blijven onmogelijk maken).
- [5]Cass. m.b.t. uitsluiting: gegronde redenen moeten van die aard zijn dat het behouden van de aandeelhouder de fundamentele belangen of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt.
- [6]Brussel 5 november 2002, RPS 2003, 396, noot W. DERIJCKE; Brussel 24 november 2004, TRV 2006, 334; Voorz. Kh. Brussel 30 mei 2006, RABG 2009, 112 (verschil tussen uitsluitings- en uittredingsgrond).
- [8]J.-F. KEUSTERMANS, “Knelpunten in de vennootschapsrechtelijke geschillenregeling. Nieuwe inzichten uit de rechtspraak en interviews met magistraten”, TRV 2014, 15-16.
- [9]Brussel 6 februari 2001, RW 2001-02, 1573 (de weigering om in te gaan op een eis tot overname van aandelen kan niet worden aangevoerd als toerekenbaar feit).
- [10]K. GEENS, M. WYCKAERT, C. CLOTTENS, F. PARREIN, S. DE DIER, S. COOLS, m.m.v. F. JENNÉ en A. STEENO, “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen 1999-2010”, TPR 2012, p. 527, nr. 480 (soevereine appreciatie van de gegronde reden).
Tim De Clercq
Advocaat / oprichter
info@taloadvocaten.be+32 3 612 57 60
+32 3 612 57 69
Mter. De Clercq
Meer artikels
