Talo Advocaten — Amerikalei 79, 2000 Antwerpen — 03/612 57 60 — info@taloadvocaten.be     NL - EN     Facebook  Instagram   

De vergeten brandverzekering: een gewone bestuursfout, geen sleutel tot het netto-passief

Gepubliceerd op 19/10/2026

Vonnisnoot bij Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, 12 juni 2026 – Matthias Koopman

ONDERNEMINGSRECHTBANK ANTWERPEN, AFDELING MECHELEN – 12 JUNI 2026

3e kamer

Zet.: N. Lemense (voorzitter), K. Jacobs en M. Van Robays (rechters in ondernemingszaken)

Pl.: de curator in persoon en mrs. T. De Clercq en M. Koopman

Trefwoorden: FAILLISSEMENT – Bestuurdersaansprakelijkheid – Kennelijk grove fout – Art. XX.225 WER – Niet-afsluiten van een brandverzekering – Geen bewijs van een bewuste keuze – Gewone bestuursfout – Art. 2:56 WVV – Schade – Oorzakelijk verband – Netto-passief niet bewezen – Verlies van een kans – Begroting – Jaarrekening – Art. 2:52 WVV – Alarmbelprocedure – Art. 7:228 WVV – Weerlegbaar vermoeden – Voortzetting van een deficitaire activiteit – Art. XX.227 WER – Kantelpunt niet aangetoond

 

  1. Het niet-afsluiten van een brandverzekering is geen kennelijk grove fout in de zin van artikel XX.225 WER wanneer niet bewezen is dat de bestuurders bewust en intentioneel beslisten geen verzekering af te sluiten, en niet, zoals zij aanvoerden, vergaten de premie te betalen.
  2. Ook wanneer een brandverzekering niet wettelijk verplicht is, kunnen bestuurders een gewone bestuursfout begaan in de zin van artikel 2:56 WVV wanneer zij er niet voor zorgen dat de vennootschap tegen brand verzekerd is.
  3. Enkel de schade die in oorzakelijk verband staat met de bestuursfout komt voor vergoeding in aanmerking. De curator die niet aantoont dat het netto-passief, dat hoofdzakelijk bestaat uit leveranciersschulden, schulden aan dienstverleners en vorderingen van de fiscus, zich zonder de fout niet zou hebben voorgedaan, kan het netto-passief niet als schade vorderen.
  4. Door de bestuursfout verloor de vennootschap wel de reële kans om een verzekeringsvergoeding te ontvangen die kon worden aangewend ter delging van het passief. De rechter begroot dat verlies van een kans rekening houdend met de afgeschreven inboedel en de negatieve financiële evolutie van de vennootschap.
  5. De regels inzake de jaarrekening, artikel 2:52 WVV en de alarmbelprocedure zijn niet geschonden wanneer de bestuurders tijdig de boeken neerleggen, vóór het verstrijken van de wettelijke termijnen. Ten overvloede: het weerlegbaar vermoeden van oorzakelijk verband bij een laattijdige goedkeuring en neerlegging van de jaarrekening en bij de niet-naleving van de alarmbelprocedure wordt weerlegd wanneer de schulden dateren van vóór de beweerde schending.
  6. Een vordering op grond van artikel XX.227 WER is ongegrond wanneer de curator niet aangeeft wanneer het kantelpunt zich voordeed en niet aantoont dat de bestuurders vanaf dat ogenblik niet handelden zoals normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders in dezelfde omstandigheden.

(X q.q. / A., B. en C. NV)

(…)

IV. Beoordeling

A. De vordering op basis van art. XX.225 WER, minstens art. 2:56 WVV

(…)

  1. De rechtbank is van oordeel dat niet is aangetoond dat verweerders een kennelijk grove fout begingen die heeft bijgedragen tot het faillissement. De stelling van de curator dat verweerders, als bestuurders van de vennootschap die een pand huurde van [C.] NV, bewust en intentioneel beslisten om geen “wettelijke [sic] verplichte” brandverzekering af te sluiten, is niet bewezen. Geen enkel document bewijst dat dit een bewuste keuze was, en niet, zoals verweerders stellen, een vergetelheid om de premie te betalen. Gelet hierop, acht de rechtbank de drempel van een kennelijk grove fout niet bereikt.
  2. Hoewel de brandverzekering in dit dossier niet wettelijk verplicht was, meent de rechtbank wel dat verweerders een gewone bestuursfout maakten, in de zin van art. 2:56 [WVV]. Zij hadden ervoor moeten zorgen dat de brandverzekering was afgesloten, zodat de vennootschap verzekerd zou zijn tegen brand.
  3. Enkel de schade die in oorzakelijk verband staat met de fout, komt voor vergoeding in aanmerking. De curator toont niet aan dat de door haar aangevoerde schade, met name het volledige netto-passief, in oorzakelijk verband staat met de bestuursfout. Het passief bestaat voornamelijk uit leveranciersschulden, schulden aan dienstverleners, en vorderingen van FOD Financiën. Het is niet aangetoond dat de door de curator weerhouden schade zich zonder de fout niet zou hebben voorgedaan. Voorts is een verzekeringsdekking vooraf nooit verworven, en duidt de curator niet aan welke type verzekering er afgesloten had moeten zijn, noch welk type er de vorige jaren afgesloten was, zodat de omvang van een eventuele dekking ook onzeker is.
  4. Volgens vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie kan de rechter een vergoeding toekennen voor het verlies van een reële kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van kans zich zonder de fout niet had voorgedaan. Het verlies van een kans komt slechts als vergoedbare schade in aanmerking, indien de kans reëel is en het verlies van de kans definitief vast staat.
  5. Door de bestuursfout heeft de vennootschap de kans verloren om een vergoeding te ontvangen van de verzekeraar, die aangewend kon worden ter delging van het passief. Het oorzakelijk verband tussen de fout en het verlies van de kans, staat vast. Om de waarde van het verlies van de kans te bepalen, houdt de rechtbank rekening met het niet-betwiste feit dat de inboedel van de slagerij sinds 1997 in gebruik was, en volledig afgeschreven, met uitzondering van een nieuwe rijpingskast voor vleeswaren (de installaties, machines en uitrusting werden in de interne jaarrekening per 31 december 2023 gewaardeerd op 12.562,05 euro), en met de negatieve financiële evolutie in 2023. Gelet hierop, begroot de rechtbank het verlies van kans op 15.000 euro. Verweerders zijn in solidum gehouden tot betaling van dit bedrag (art. 5.168 BW).
  6. De rechtbank oordeelt voorts dat er geen schending is van art. 3.1, 3.9 [WVV], art. 2:52 [WVV] of art. 7:228 WVV. De jaarrekening met betrekking tot boekjaar 2023 diende uiterlijk 30 juni 2024 te worden goedgekeurd. Neerlegging diende uiterlijk 31 juli 2024 plaats te vinden. De vennootschap heeft echter reeds op 21 juni 2024 de boeken neergelegd, waarna zij op 1 juli 2024 failliet werd verklaard. Op dat moment verloren de bestuurders het beheer over de vennootschap. (…) Verweerders tonen aan dat zij art. 2:52 WVV naleefden, door na kennisname van de balans van 31 december 2023, alsook de brand en de dagvaarding uitgaande van de hoofdleverancier van de vennootschap te beslissen de boeken neer te leggen op 21 juni 2024. Er is evenmin een miskenning van de alarmbelprocedure, aangezien de termijn van art. 7:228 WVV nog niet verstreken was. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het causaliteitsvermoeden bij een laattijdige goedkeuring en neerlegging van de jaarrekening, alsook het niet nakomen van de alarmbelprocedure weerlegbaar is. Dit tegenbewijs kan geleverd worden door aan te tonen dat de schulden dateren van voor de schending van de vermelde bepalingen van het WVV. Dat is in dit dossier manifest het geval, aangezien de vennootschap failliet is verklaard op 1 juli 2024.

B. De vordering op basis van art. XX.227 WER

(…)

  1. De toepassing van deze aansprakelijkheidsgrond vereist dat het bewijs geleverd wordt van een fout van de bestuurders, vanaf het moment dat zij wisten of behoorden te weten dat de onderneming reddeloos verloren was. Dit bewijs wordt niet geleverd. De curator formuleert enkel vragen in dit onderdeel van haar conclusie, en voert niet aan wanneer het kantelpunt plaatsvond, vanaf wanneer de bestuurders foutief handelden. Zij toont niet aan waarom zij niet handelden als normaal voorzichtig en zorgvuldige bestuurders in dezelfde omstandigheden, onafgezien van de fout in verband met de brandverzekering. Het dossier bevat ook geen detail van de schuldvorderingen, en geen informatie over eventuele uitvoeringsmaatregelen van schuldeisers, zodat er geen aanknopingspunten zijn om het kantelpunt te bepalen. Deze vordering is ongegrond.

V. Beslissing

(…) veroordeelt [A., B. en C. NV] in solidum tot betaling aan [X] q.q. van 15.000 euro in hoofdsom, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf de dagvaarding tot de datum van volledige betaling; (…)

NOOT

De vergeten brandverzekering: een gewone bestuursfout, geen sleutel tot het netto-passief

I. Inleiding

  1. Een vennootschap gaat failliet kort na een brand in een onverzekerd bedrijfspand. De curator ziet in het ontbreken van een brandverzekering de verklaring voor het tekort en vordert van de bestuurders het volledige netto-passief. Het besproken vonnis toont dat die redenering op drie niveaus wordt getoetst: de aard van de fout, de schade en het oorzakelijk verband daartussen. Het vonnis verdient aandacht omdat het de verschillende aansprakelijkheidsgronden scherp van elkaar onderscheidt en omdat het de schade niet gelijkstelt met het netto-passief, maar herleidt tot het verlies van een kans.
  2. De feiten laten zich kort samenvatten. Een naamloze vennootschap baatte sinds 1997 een slagerij uit. Zij huurde het pand van een verbonden vennootschap van haar bestuurders, die ook voormalig bestuurder van de vennootschap was. In mei 2024 brak er brand uit, met zware schade aan de slagerij en aan de appartementen erboven. De inboedel en het onroerend goed waren niet verzekerd tegen brand. Op 21 juni 2024 deed de vennootschap aangifte van faillissement. Zij werd op 1 juli 2024 failliet verklaard. De verhuurder diende een aangifte van schuldvordering in van 501.000 euro wegens de brandschade, maar trok die nadien in. De brand veroorzaakte geen schade aan andere derden.De curator vorderde van beide bestuurders en van de verbonden vennootschap, solidair en in solidum, 322.630,77 euro provisioneel. Zij steunde zich in hoofdorde op artikel XX.225 WER, ondergeschikt op artikel 2:56 WVV juncto artikel 1382 oud BW, en daarnaast op artikel XX.227 WER. Zij verweet de bestuurders bovendien een schending van de regels inzake de jaarrekening, van artikel 2:52 WVV en van de alarmbelprocedure van artikel 7:228 WVV. De verweerders vroegen de vordering ongegrond te verklaren en ondergeschikt het gevorderde bedrag te matigen. Zij wezen in limine litis op een materiële vergissing, waardoor de hoofdsom hoogstens 296.894,85 euro kon bedragen. In uiterst ondergeschikte orde raamden zij de voorzienbare schade door het ontbreken van aanvullende waarborgen, zoals een inboedel- of bedrijfsschadeverzekering, zelf op 15.000 euro.  
  3. De rechtbank wijst de vordering op grond van artikel XX.225 WER af, aanvaardt een gewone bestuursfout in de zin van artikel 2:56 WVV, weigert het netto-passief als schade te beschouwen en kent 15.000 euro toe wegens verlies van een kans. De overige grieven, waaronder de vordering op grond van artikel XX.227 WER, worden afgewezen. Van het gevorderde bedrag van 322.630,77 euro blijft zo minder dan vijf procent over, een bedrag dat overeenstemt met de uiterst ondergeschikte raming van de verweerders zelf.

II. Geen kennelijk grove fout (art. XX.225 WER)

  1. Artikel XX.225, §1 WER laat toe dat huidige of gewezen bestuurders en alle personen met werkelijke bestuursbevoegdheid persoonlijk, en al dan niet hoofdelijk, aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming ten belope van het tekort, indien komt vast te staan dat een door hen begane kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement. De rechtbank herhaalt de vier klassieke voorwaarden: een faillissement, een passief dat het actief overtreft, een kennelijk grove fout en een bijdrage van die fout tot het faillissement.
  2. Over de invulling van het begrip bestaat een vaste lijn. Een kennelijk grove fout is een fout die een redelijk voorzichtige en vooruitziende bedrijfsleider niet zou hebben gemaakt en die schade toebrengt aan het voortbestaan van de vennootschap.[1] Het hof van beroep te Antwerpen omschreef de fout recent als een flagrante overtreding van een norm die essentieel is voor het voortbestaan van de vennootschap, waarvan elk redelijk, voorzichtig en vooruitziend bestuurder behoort te weten dat zij tot het faillissement zou bijdragen, zonder dat zij daarvan de enige oorzaak moet zijn.[2] Sommige rechtspraak en rechtsleer spreken van een niet-verschoonbare zorgeloosheid en lichtzinnigheid die neigt naar opzet.[3] Het adjectief “kennelijk” legt de lat bijkomend hoog: de fout moet niet alleen door de rechter, maar door elk redelijk voorzichtig en vooruitziend bedrijfsleider als foutief worden bestempeld.[4] De wetgever gaf zelf één ijkpunt: iedere vorm van ernstige fiscale fraude in de zin van de antiwitwaswet wordt in elk geval als kennelijk grove fout beschouwd (art. XX.225, §1, tweede lid WER).
  3. Tegen die achtergrond is het oordeel van de rechtbank niet verrassend. De curator stelde dat de bestuurders bewust hadden beslist om geen brandverzekering af te sluiten, omwille van de financiële problemen van de vennootschap. De rechtbank stelt vast dat geen enkel stuk aantoont dat het om een bewuste keuze ging, en niet, zoals de verweerders aanvoerden, om een vergetelheid om de premie te betalen. De bewijslast rust op de curator. Wie een kennelijk grove fout aanvoert, moet meer bewijzen dan een tekortkoming die ernstig oogt achteraf. De voorbeelden uit de rechtspraak waarin wel een kennelijk grove fout werd aanvaard, zoals substantiële betalingen aan verbonden vennootschappen zonder waarborg van terugbetaling, leningen in de wetenschap dat zij niet konden worden terugbetaald of ernstige fiscale fraude, illustreren welk soort gedrag de wetgever voor ogen had.[5] Het vergeten van een verzekeringspremie behoort niet tot die categorie, tenzij het bewijs van een bewuste en onverantwoorde keuze wordt geleverd.
  4. De curator kwalificeerde de brandverzekering als “wettelijk verplicht”. De rechtbank volgt die stelling niet en stelt vast dat de verzekering in dit dossier niet wettelijk verplicht was. Voor de kwalificatie als kennelijk grove fout is dat punt niet doorslaggevend. Voor de gewone bestuursfout is het dat evenmin, zoals hierna blijkt.
  5. Omdat de rechtbank geen kennelijk grove fout weerhoudt, hoeft zij niet te onderzoeken of de fout heeft bijgedragen tot het faillissement. Die vierde voorwaarde verdient nochtans aandacht. Een fout die wordt begaan op een ogenblik dat de vennootschap zich reeds in staat van faillissement bevindt, kan daartoe moeilijk hebben bijgedragen.[6] In casu stelde de curator zelf dat de vennootschap al enige tijd in financiële problemen verkeerde, en het vonnis vermeldt een negatieve financiële evolutie in 2023. Een curator die zijn vordering op artikel XX.225 WER steunt, moet dus ook de chronologie van fout en faillissement concreet onderbouwen.

III. Wel een gewone bestuursfout (art. 2:56 WVV)

  1. Artikel 2:56, eerste lid WVV bepaalt dat bestuurders jegens de rechtspersoon aansprakelijk zijn voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht, en jegens derden voor zover de fout buitencontractueel is. Zij zijn evenwel slechts aansprakelijk voor beslissingen, daden of gedragingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders, geplaatst in dezelfde omstandigheden, redelijkerwijze van mening kunnen verschillen.
  2. De rechtbank oordeelt dat de bestuurders ervoor hadden moeten zorgen dat de vennootschap tegen brand verzekerd was, ook al was de verzekering niet wettelijk verplicht. Dat oordeel ligt in de lijn van de rechtspraak en de rechtsleer. Het Hof van Cassatie oordeelde in een geval van aansprakelijkheid tegenover een derde dat het niet aangaan van een brandverzekering aanleiding kan geven tot bestuurdersaansprakelijkheid, ook al wordt de fout rechtstreeks aan de vennootschap toegerekend.[7] In de rechtsleer wordt het niet-aangaan van de nodige verzekeringen, zoals een brandverzekering voor de lokalen waarin de vennootschap haar activiteit uitoefent, als typevoorbeeld van een bestuursfout genoemd. Daarbij is niet van belang of de verzekering al dan niet bij wet verplicht is.[8] Andere auteurs noemen het nalaten een brandverzekering af te sluiten voor het bedrijfsgebouw in dezelfde adem, of zien er een schending van de algemene zorgvuldigheidsplicht in die tot persoonlijke aansprakelijkheid leidt.[9]
  3. Opvallend is dat de rechtbank de marginale toets van artikel 2:56, eerste lid WVV niet uitdrukkelijk toepast. Voor de kern van de zaak weegt dat wellicht niet zwaar: dat een bestuurder de exploitatiezetel en de bedrijfsmiddelen niet onverzekerd mag laten, wordt nauwelijks betwist. Toch is een brandverzekering geen monoliet. Er is een verschil tussen de basisdekking, zoals de aansprakelijkheid tegenover derden en de schade aan het gebouw, en aanvullende waarborgen, zoals een inboedel- of bedrijfsschadeverzekering. De verweerders voerden in hun conclusie aan dat het niet-afsluiten van aanvullende waarborgen, zoals een inboedel- of bedrijfsschadeverzekering, voor een vennootschap in een financieel precaire situatie met een versleten inboedel van geringe waarde geen bestuursfout uitmaakt. Het vonnis gaat op dat onderscheid niet verder in. Het stelt wel vast dat de curator niet aanduidde welk type verzekering had moeten worden afgesloten, noch welk type de vorige jaren was afgesloten, zodat de omvang van een eventuele dekking onzeker bleef. Het onderscheid verdient in toekomstige zaken een plaats: de marginale toets van artikel 2:56 WVV kan een bewuste en gedocumenteerde afweging over aanvullende waarborgen beschermen.  
  4. De aansprakelijkheid van artikel 2:56, eerste lid WVV is in beginsel een aansprakelijkheid jegens de vennootschap, die na faillissement door de curator wordt uitgeoefend. In de rechtsleer wordt aangenomen dat de schadevergoeding dan, behoudens opzet, beperkt blijft tot de voorzienbare schade die het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is van de tekortkoming.[10] Belangrijker nog is dat de eiser, anders dan bij artikel XX.225 WER, de drie klassieke bestanddelen moet bewijzen: fout, schade en oorzakelijk verband. Daar loopt de vordering in casu vast.

IV. Schade en oorzakelijk verband: niet het netto-passief, wel het verlies van een kans

  1. Het verschil met artikel XX.225 WER is fundamenteel. Bij een kennelijk grove fout moet de eiser bewijzen dat de fout heeft bijgedragen tot het faillissement, zonder een precies oorzakelijk verband met het onvoldoende actief te moeten aantonen. Staat die bijdrage vast, dan wordt de bestuurder vermoed aansprakelijk te zijn voor het onvoldoende actief, en bepaalt de rechter of hij het geheel of een deel van het tekort draagt.[11] Bij een gewone bestuursfout ontbreekt die bewijsregeling. Dat verklaart waarom curatoren hun vordering vaak cumulatief of trapsgewijs op verschillende gronden steunen. Recente rechtsleer raadt curatoren aan hun vordering tot vergoeding van boedelschade in hoofdorde op artikel XX.227 WER te steunen, waar de rechter zelf bepaalt of de bestuurder voor het geheel of een deel van het netto-passief instaat, en slechts ondergeschikt op artikel 1382 oud BW of artikel 6.5 BW, met bewijs van de werkelijk geleden schade.[12]
  2. De rechtbank past de klassieke toets toe. Zij stelt vast dat het netto-passief hoofdzakelijk bestaat uit leveranciersschulden, schulden aan dienstverleners en vorderingen van de fiscus, en dat niet is aangetoond dat die schade zich zonder de fout niet zou hebben voorgedaan. Zij voegt eraan toe dat een verzekeringsdekking nooit verworven was en dat de curator niet aangaf welk type verzekering had moeten worden afgesloten, zodat ook de omvang van een eventuele dekking onzeker blijft. Dat is een zuivere toepassing van de conditio sine qua non-leer: het oorzakelijk verband kan slechts worden uitgesloten als de schade, zoals zij zich in concreto voordeed, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder de fout.[13] Het netto-passief van een failliete vennootschap is niet zonder meer de schade die uit één bepaalde bestuursfout voortvloeit. Schulden die vóór de brand bestonden, of die los van de brand zouden zijn ontstaan, kunnen niet op rekening van het ontbreken van een verzekering worden geschreven.
  3. Dat betekent niet dat de fout zonder gevolg blijft. De rechtbank grijpt terug naar het leerstuk van het verlies van een kans. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie kan de rechter een vergoeding toekennen voor het verlies van een reële kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel, indien tussen de fout en het verlies van die kans een conditio sine qua non-verband bestaat.[14] Het bestaan van een kans vereist geen zekerheid over het verhoopte resultaat.[15] Het Hof omschreef het verlies van een kans recent als een specifieke schade die bestaat in het zekere verlies van een waarschijnlijk voordeel.[16] Enkel de economische waarde van de verloren kans komt voor vergoeding in aanmerking. Die waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel.[17]
  4. De rechtbank past die leer correct toe. De verloren kans is de kans om een verzekeringsvergoeding te ontvangen die had kunnen worden aangewend ter delging van het passief. Voor de begroting houdt de rechtbank rekening met objectieve gegevens: de inboedel was sinds 1997 in gebruik en volledig afgeschreven, met uitzondering van een nieuwe rijpingskast, de installaties, machines en uitrusting stonden in de interne jaarrekening per 31 december 2023 geboekt voor 12.562,05 euro, en de financiële evolutie in 2023 was negatief. Het verlies van de kans wordt op 15.000 euro begroot, waartoe de verweerders in solidum worden veroordeeld. Die benadering sluit aan bij de cassatierechtspraak die verbiedt het verlies van een kans gelijk te stellen met de eindschade.[18] Een gegeven dat de rechtbank niet uitdrukkelijk bij de begroting betrekt, bevestigt die beperkte omvang: de schade aan het gebouw trof de verhuurder, die zijn schuldvordering introk. Een verzekeringsvergoeding voor die schade zou de boedel dus niet hebben verrijkt.
  5. Voor feiten van na de inwerkingtreding van Boek 6 BW wordt het kader anders geformuleerd. Artikel 6.22 BW bepaalt dat, wanneer het onzeker is of de fout een noodzakelijke voorwaarde is voor de schade omdat de schade zich ook kon hebben voorgedaan bij rechtmatig gedrag, de benadeelde recht heeft op een gedeeltelijke schadeloosstelling voor de schade in verhouding tot de waarschijnlijkheid waarmee de fout de schade heeft veroorzaakt.[19] Het verlies van een kans wordt dan een vorm van proportionele aansprakelijkheid voor de eindschade. De brand dateert van mei 2024. De rechtbank paste dus terecht de cassatierechtspraak onder het oude recht toe. Of artikel 6.22 BW ook speelt bij de interne, contractuele aansprakelijkheid van bestuurders jegens de vennootschap, is een open vraag die de rechtspraak nog zal moeten beantwoorden.

V. Jaarrekening, artikel 2:52 WVV en alarmbelprocedure

  1. De curator verweet de bestuurders dat de jaarrekeningen over 2023 en 2024 niet waren neergelegd op 1 juli 2024. De rechtbank veegt die grief van tafel. De jaarrekening over 2023 moest uiterlijk op 30 juni 2024 worden goedgekeurd en uiterlijk op 31 juli 2024 worden neergelegd. De vennootschap legde de boeken neer op 21 juni 2024 en werd op 1 juli 2024 failliet verklaard, waardoor de bestuurders het beheer verloren. De balans per 31 december 2023 werd onmiddellijk aan de curator bezorgd, die daarover geen opmerkingen maakte. De jaarrekening over 2024 was op dat ogenblik vanzelfsprekend nog niet verschuldigd.
  2. Artikel 2:52 WVV verplicht het bestuursorgaan, wanneer gewichtige en overeenstemmende feiten de continuïteit van de onderneming in het gedrang kunnen brengen, te beraadslagen over de maatregelen die moeten worden genomen om de continuïteit van de economische activiteit voor een minimumduur van twaalf maanden te vrijwaren.[20] De rechtbank oordeelt dat de bestuurders die verplichting naleefden: na kennisname van de balans per 31 december 2023, de brand en een dagvaarding van de hoofdleverancier beslisten zij de boeken neer te leggen. Ook de alarmbelprocedure werd niet miskend, omdat de termijn van artikel 7:228 WVV nog niet verstreken was. Het vonnis bevestigt zo dat een tijdige aangifte van faillissement ook een invulling kan zijn van de continuïteitsplicht. Wie niet meer kan redden, moet tijdig stoppen.
  3. Ten overvloede wijst de rechtbank op het weerlegbare karakter van de vermoedens van oorzakelijk verband. Bij een laattijdige neerlegging van de jaarrekening wordt de door derden geleden schade, behoudens tegenbewijs, geacht uit dat verzuim voort te vloeien (art. 3:10, derde lid WVV).[21] Bij de alarmbelprocedure geldt een gelijkaardig vermoeden, dat de bestuurders kunnen weerleggen door aan te tonen dat de schade ook zou zijn ontstaan indien de algemene vergadering tijdig was bijeengeroepen.[22] De rechtbank aanvaardt het tegenbewijs omdat de schulden dateren van vóór de beweerde schendingen. Dat is logisch: een verzuim na het ontstaan van een schuld kan die schuld niet hebben veroorzaakt.

VI. Geen kantelpunt, geen wrongful trading (art. XX.227 WER)

  1. Artikel XX.227 WER laat toe bestuurders aansprakelijk te stellen voor het geheel of een deel van de schulden ten belope van het tekort jegens de boedel, indien zij op een gegeven ogenblik vóór het faillissement wisten of behoorden te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht was om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden, en zij vanaf dat ogenblik niet hebben gehandeld zoals een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder in dezelfde omstandigheden. De vordering behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de curator.[23]
  2. De rechtbank wijst de vordering af omdat de curator enkel vragen formuleerde, niet aangaf wanneer het kantelpunt zich voordeed en niet aantoonde dat de bestuurders vanaf dat ogenblik foutief handelden. Het dossier bevatte geen detail van de schuldvorderingen en geen informatie over uitvoeringsmaatregelen van schuldeisers. Die strengheid strookt met de rechtsleer, die benadrukt dat het niet volstaat aan te tonen dat de bestuurders een verlieslatende vennootschap hebben voortgezet: zij moesten de ondergang ook kunnen voorspellen, rekening houdend met de wisselende omstandigheden en opportuniteiten van het economisch leven, al rust op hen wel de verplichting de financiële toestand nauwlettend op te volgen.[24] De ondernemingsrechtbank te Brugge wees een vordering af omdat de evolutie van het passief na het kantelpunt niet was aangetoond.[25] Ook het loutere verderzetten van de activiteiten na de datum van staking van betaling maakt niet automatisch een fout uit in oorzakelijk verband met de schade.[26]
  3. Voor de praktijk is ook de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 2:57 WVV van belang. Zij geldt voor de aansprakelijkheid van artikel 2:56 WVV en voor de aansprakelijkheid voor de schulden van de rechtspersoon bedoeld in artikel XX.227 WER. De plafonds bedragen onder meer 125.000 euro voor rechtspersonen met een gemiddelde jaaromzet van minder dan 350.000 euro exclusief btw en een gemiddeld balanstotaal van niet meer dan 175.000 euro, en 250.000 euro voor rechtspersonen met een gemiddelde jaaromzet van minder dan 700.000 euro en een gemiddeld balanstotaal van niet meer dan 350.000 euro, met hogere bedragen voor grotere rechtspersonen. De beperking geldt niet bij een lichte fout die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt, een zware fout, bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden (art. 2:57, §3, 1° WVV).[27] Het hof van beroep te Antwerpen oordeelde dat de beperking niet speelt wanneer een kennelijk grove fout in de zin van artikel XX.225 WER wordt weerhouden.[28] Een curator die enkel een gewone, toevallige bestuursfout kan aantonen, botst dus op een plafond. Ook dat relativeert een vordering tot betaling van het volledige netto-passief op grond van artikel 2:56 WVV.

 

VII. Besluit

  1. Het vonnis brengt de discussie terug tot de basisregels. Een vergeten verzekeringspremie is een fout, maar geen kennelijk grove fout zonder bewijs van een bewuste keuze. Het ontbreken van een brandverzekering kan een gewone bestuursfout zijn, los van de vraag of de verzekering wettelijk verplicht is. Wie op grond van die fout vergoeding vordert, moet schade en oorzakelijk verband bewijzen. Het netto-passief is daarbij geen automatische maatstaf. Het verlies van een kans biedt een tussenweg, maar dan wel begroot op de economische waarde van de kans en niet op de eindschade.
  2. Voor bestuurders van kmo’s volgen daaruit drie praktische lessen. Laat de verzekeringsportefeuille jaarlijks nazien en bewaar het bewijs van de premiebetalingen. Leg keuzes om in moeilijke tijden bepaalde waarborgen te laten vallen schriftelijk vast in een beslissing van het bestuursorgaan, met de redenen. En wacht niet te lang met de aangifte van faillissement wanneer redding niet meer realistisch is: een tijdige beslissing beschermt de bestuurder. Voor curatoren leert het vonnis dat een aansprakelijkheidsvordering staat of valt met een concrete onderbouwing van de schade en, bij artikel XX.227 WER, van het kantelpunt.

 

Matthias Koopman

Advocaat, TALO Advocaten (Antwerpen)

De auteur trad samen met mr. Tim De Clercq op als raadsman van de verwerende partijen.

  • [1]Gent 22 juni 2020, AR 2018/AR/511 en 2018/AR/585; Ondern. Brussel (Nl.) 12 mei 2023, O/22/00973; Ondern. Gent (afd. Brugge) 4 december 2023, A/22/01403. Zie ook Y. Desmyttere, F. Helsen en E. Goldschmidt, “Art. XX.225 WER” in Economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer (versie 30 november 2024); F. Helsen en E. Goldschmidt, “Aansprakelijkheidsvordering tegen bestuurders/zaakvoerders na discontinuïteit” in Faillissement & Reorganisatie, 9.A (versie 1 maart 2025).  
  • [2]Antwerpen 19 januari 2023, NJW 2026, 78, noot J. Waelkens.
  • [3]Ondern. Brussel (Nl.) 12 mei 2023, O/22/00973; Y. Desmyttere en F. Helsen, “XX.225 WER” in Handels- en economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wetboek Economisch Recht, Boek XX, Insolventie van ondernemingen, 2018 (versie 2025), 538
  • [4]C. Clottens e.a., “Aansprakelijkheid van bestuurders” in “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen en verenigingen (2012-2019)”, TPR 2022, 1660-1734.
  • [5]Gent 22 juni 2020, l.c.; Ondern. Gent (afd. Brugge) 4 december 2023, l.c.; Ondern. Brussel (Nl.) 12 mei 2023, l.c. Zie ook Antwerpen 23 december 2020, RW 2022-23, 193, geciteerd in J. Waelkens, “Kwijtschelding bij kennelijk grove fouten van de gefailleerde”, NJW 2023, 561-562.
  • [6]P. Ernst, “Actualia vennootschapsrecht: bestuurdersaansprakelijkheid recente evoluties” in CBR Jaarboek 2013-2014, 114 . Vgl. het arrest van het hof van beroep te Brussel, besproken in C. Clottens e.a., l.c., TPR 2022, 1660-1734, waarin werd geoordeeld dat de niet-neerlegging van een jaarrekening niet had bijgedragen tot het faillissement omdat de faillissementsvoorwaarden voordien reeds vervuld waren.
  • [7]Cass. 22 december 2016, AR C.10.0210.F, TRV-RPS 2018, 405, noot C. Berckmans; JDSC 2018, 165, noot M. Delvaux.  
  • [8]H. Jansen, S. Van Haute en N. Hallemeesch, “Bestuur” in De NV in de praktijk, WVV-I.4.2 (versie 1 juni 2025).  
  • [9]B. Buydens e.a., “Aansprakelijkheid van bestuurders” in E. Bogaerts e.a., Dé gids voor vennootschappen, 2026, 387-411; R. Diliberto e.a., “Bestuur” in De BV in de praktijk, WVV-I.3.5 (versie 1 januari 2026); C. Clottens e.a., “Toerekening van feitelijke handelingen aan de rechtspersoon” in “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen en verenigingen (2012-2019)”, TPR 2022, 1634-1660; voor de vzw: D. De Laeter, N. Bastiaens en S. Thienpont, VZW-zakboekje. Van oprichting tot ontbinding, 2026, 221-258. Eerder in dezelfde zin: P. Ernst, l.c., 87
  • [10]B. Buydens e.a., “(Bestuur van de vennootschap) Aansprakelijkheid van bestuurders” in E. Bogaerts e.a., Dé gids voor vennootschappen, 384 en 386.
  • [11]F. Helsen en E. Goldschmidt, l.c. ; over de matigingsbevoegdheid: Y. Desmyttere en F. Helsen, l.c., 543.
  • [12]P. Soens e.a., “Het faillissement” in Bestendig Handboek Vennootschap & Aansprakelijkheid, IV.3ter (versie 1 maart 2026).
  • [13]Cass. 17 december 2009, AR C.08.0145.N; Cass. 13 januari 2022, AR C.19.0153.N en C.19.0174.N, www.juportal.be.
  • [14]Cass. 17 december 2009, l.c.; Cass. 15 maart 2010, AR C.09.0433.N, NJW 2010, 660, noot I. Boone; A. Van Oevelen, “Schade” in “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Schade en schadeloosstelling (2007-2021)”, TPR 2023, 479-491.
  • [15]Cass. 15 maart 2010, l.c.; Cass. 15 mei 2015, AR C.14.0269.N, RW 2016-17, 100; TBBR 2019, 511.
  • [16]Cass. 29 maart 2024, AR C.23.0253.F en C.23.0262.F.  
  • [17]Cass. 15 mei 2015, l.c. Zie over het leerstuk sinds het Prizrak-arrest: H. Bocken, “Het verlies van een kans: vergoedbare schade? Het arrest van het Hof van Cassatie van 5 juni 2008”, T.Verz. 2008, 421-424; I. Boone en K. Ronsijn, “Vergoeding voor het verlies van een kans na het arrest Prizrak”, VAV 2015, afl. 4, 4-10.
  • [18]Cass. 15 mei 2015, l.c.
  • [19]Art. 6.22, eerste lid BW. Zie K. De Smet en W. Gielis, “De braamstruik gesnoeid: causaliteit onder Boek 6 BW”, TBH 2024, 885-905
  • [20]Art. 2:52 WVV
  • [21]H. Jansen, S. Van Haute en N. Hallemeesch, l.c.; F. Helsen en E. Goldschmidt, l.c., die erop wijzen dat het vermoeden werd ingevoerd naar analogie met de alarmbelprocedure.
  • [22]H. Jansen, S. Van Haute en N. Hallemeesch, l.c.; R. Diliberto e.a., l.c.
  • [23]Y. Desmyttere, F. Helsen en E. Goldschmidt, “Art. XX.227-XX.228 WER” in Economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer (versie 30 november 2024).
  • [24]Y. Desmyttere, F. Helsen en E. Goldschmidt, “Art. XX.227-XX.228 WER”, l.c.
  • [25]Aangehaald door F. Helsen en E. Goldschmidt, l.c.
  • [26]T. Toremans, “Art. XX.102 WER” in Economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer (versie 23 februari 2026).
  • [27]Art. 2:57 WVV  
  • [28]Antwerpen 19 januari 2023, l.c.; J. Waelkens, “Bestuurdersaansprakelijkheid wegens grove fout”, NJW 2026, 81-82.  

Bij Talo Advocaten beschikken we over een team dat gespecialiseerd is in:

Uw juridische partner

We zijn graag uw informele juridische vertrouwenspersoon én uw vasthoudende, zakelijke raadsman voor de rechtbank.

U kunt bij ons terecht voor advies, bijstand en verdediging in al uw juridische kwesties. Hieronder vindt u een greep uit onze specialisaties. Vindt u het juridische domein van uw vraag niet terug? Aarzel dan niet om met ons contact te nemen. Wij helpen u graag verder of geven verduidelijking.

 

Trots lid van WILL

WILL — Worldwide Independent Lawyers League

 
Top